|
Het ministerie van Buitenlandse Zaken wringt zich in de meest onmogelijke bochten om te voorkomen dat ook Europa-kritische organisaties gebruik kunnen maken van het ‘Europafonds’. Dit fonds kreeg na het referendum over de Europese grondwet in 2005 twee en een half miljoen euro per jaar om “maatschappelijke organisaties in staat te stellen de discussie over Europa te voeren.”
Het Comité Ander Europa is een van de weinige Europa-kritische organisaties die de afgelopen jaren subsidie hebben ontvangen uit het fonds. Dat ging niet zonder slag of stoot. Een eerste aanvraag in 2006 werd afgewezen. Na Kamervragen en kritische stukken in de media haalde het ministerie bakzeil en nodigde Ander Europa alsnog uit een ‘kleine’ aanvraag in te dienen, omdat ze niet gelukkig waren met het beeld dat het een Europapromotiefonds zou zijn. Uiteindelijk werden er in 2007 en 2008 twee kleine projecten van Ander Europa en één project van de Euromarsen door het fonds gefinancierd. Zo ging 1% van het bestede geld naar Europa-kritische organisaties.
Voor 2009 werden echter weer alle projecten van Europa-kritische organisaties afgewezen, waaronder een project van Ander Europa. Tegen die afwijzing is Ander Europa in beroep gegaan en ook dat beroep is door het ministerie afgewezen.
De afwijzing
Voor de oorspronkelijke afwijzing van het project worden door het ministerie drie redenen aangevoerd.
1. De samenwerking met andere organisaties waarvan in het project sprake is, wordt niet onderbouwd met concrete brieven of duidelijke afspraken.
2. Er zou bij het project sprake zijn van “onderzoek” en het Europafonds subsidieert geen onderzoek.
3. De daadwerkelijke belangstelling voor de brochures, die in het kader van dit project gemaakt zouden worden, wordt niet aangetoond.
Op deze punten is door ons in een bezwaarschrift als volgt geantwoord.
1. Er zijn wel degelijk duidelijke afspraken gemaakt met andere organisaties, maar er staat nergens in de richtlijnen dat van dergelijke afspraken ook schriftelijke bewijzen moeten worden overgelegd. (Als dat wel zo was, of als ons dat als aanvullende informatie was gevraagd, was het natuurlijk geen enkel probleem geweest dat alsnog te doen).
2. Het feit dat er in de tekst het woord ‘onderzoek’ wordt gebruikt, wil niet zeggen dat hier van een ‘onderzoeksproject’ sprake is. Het is een project waarmee we informatie willen verstrekken en discussie voeren met maatschappelijke organisaties en op basis daarvan met die organisaties komen tot publieksbrochures over de rol van de Europese politiek op verschillende beleidsterreinen.
3. In ons contact met onze achterban en met de verschillende organisaties waarmee we samenwerken is wel degelijk gebleken dat er belangstelling is voor het soort informatie dat wij in het kader van dit project willen gaan verstrekken.
Nadat wij in een hoorzitting ons bezwaar hadden kunnen toelichten ontvingen we een brief waarin de beslissing over ons bezwaarschrift werd medegedeeld. Ten aanzien van het tweede punt (het karakter van het project als onderzoeksproject) staat in de brief. “U heeft aangevoerd dat dit een ‘gezocht’ argument betreft. Ik acht het bezwaar tegen de tweede afwijzingsoverweging gegrond. Bezwaarmaker heeft tijdens de hoorzitting voldoende overtuigd dat het project geen ‘onderzoek’ betreft, zoals bedoeld in de beleidsregels.”
Met betrekking tot het eerste punt (bewijzen van afspraken met andere organisaties) blijft het ministerie bij zijn eerder ingenomen positie. “Wellicht zijn steunbrieven niet onder alle omstandigheden noodzakelijk maar thans is er in de aanvraag niets overlegd waaruit blijkt dat de samenwerkingspartners gecompromitteerd zijn”, staat daarover.
Op de vraag waarom het ministerie op dat punt dan geen aanvullende informatie heeft gevraagd wordt niet ingegaan. Het is overigens opvallend dat in de nieuwe richtlijnen voor het Europafonds voor 2010 bij de punten die volledig beschreven en uitgewerkt moeten zijn nu ook staat: “samenwerking met derden (met concrete schriftelijke afspraken/toezeggingen/steunbrieven). Zo vanzelfsprekend was het dus blijkbaar in de richtlijnen voor 2009 toch niet.
Met betrekking tot het derde punt, het draagvlak, wordt in de brief van het ministerie geschreven: “Bezwaarmaker heeft onvoldoende aangetoond dat de geplande brochures voldoen aan een duidelijke vraag vanuit de beoogde doelgroep(en). In het bezwaarschrift heeft u onder meer aangegeven dat de samenwerkingspartners zelf de kosten dragen voor de distributie van de brochures. Dit is echter nieuwe informatie welke niet kan worden meegenomen. (onderstreping van ons AE). Ik handhaaf dan ook de derde afwijzingsoverweging van de beschikking.”
De door ons onderstreepte bewering is een pertinente onjuistheid. In de door ons ingediende projectaanvraag wordt op meerdere plaatsen gesteld dat de te produceren brochures door de betreffende organisaties zullen worden verspreid. Als antwoord op vraag 4 staat er bijvoorbeeld: “Deze brochures zullen vervolgens onder de achterban van de betreffende organisaties worden verspreid en binnen de achterban worden besproken.” Aangezien er in de begroting geen kosten voor deze verspreiding zijn opgenomen en er ook nadrukkelijk staat dat voor dit project buiten de gevraagde steun van het Europafonds geen andere gelden beschikbaar zijn, impliceert dat voor iedereen die de aanvraag serieus leest dat die kosten door de betreffende organisatie worden gedragen. ‘Nieuw’ is die informatie dus geenszins.
Kortom: van de drie door het ministerie oorspronkelijk aangevoerde redenen wordt er van één erkend dat hij ‘gezocht’ is (het onderzoeksproject). Van één (de steunbrieven) is het duidelijk dat dat geen vereiste van de aanvraag was (anders was het niet nodig om dat in de nieuwe richtlijnen expliciet te vermelden) en wordt niet ingegaan op de vraag waarom daar niet als aanvullende informatie om is gevraagd. Van het derde punt (de behoefte vanuit de doelgroep(en)) wordt gesuggereerd dat als men geweten had dat de organisaties zelf de kosten van de verspreiding van de brochures voor hun rekening zouden nemen de zaak anders gelegen had. Dat het ministerie dit als ‘nieuwe’ informatie beschouwt die niet in de besluitvorming kan worden meegenomen, zegt echter niets over de kwaliteit van de aanvraag of de onderbouwing daarvan, maar alles over de vooringenomen manier waarop men de aanvraag op het ministerie heeft gelezen.
Onze conclusie is dat het ministerie geen aanvragen van kritische organisaties wenst te honoreren en zich in de meest vreemde bochten wringt om daar argumenten voor aan te dragen.
|